Handelingen 27:28
“en zij peilden en vonden twintig vademen; en iets verder gevaren zijnde, peilden zij opnieuw en vonden vijftien vademen.”
Kruisverwijzingen
Context
Handelingen 27 — omringende verzen
Want deze nacht stond er naast mij een engel van God, aan Wie ik toebehoor en Die ik dien,
24en die zei: Vrees niet, Paulus; u moet voor Caesar gebracht worden; en zie, God heeft u allen geschonken die met u varen.
25Weest dan goedsmoeds, mannen, want ik geloof God dat het zal zijn zoals mij gezegd is.
26Wij moeten echter op een zeker eiland stranden.
27Maar toen de veertiende nacht aangebroken was, terwijl wij in de Adriatische Zee rondgedreven werden, meenden de zeelieden omstreeks middernacht dat zij ergens land naderden;
en zij peilden en vonden twintig vademen; en iets verder gevaren zijnde, peilden zij opnieuw en vonden vijftien vademen.
Uit vrees dat wij op rotsen zouden stranden, wierpen zij vier ankers uit het achterschip en verlangden vurig naar de dag.
30En toen de schepelingen op het punt stonden het schip te ontvluchten en de sloep in zee hadden neergelaten, onder het voorwendsel dat zij ankers uit het voorschip wilden uitwerpen,
31zei Paulus tot de hoofdman en tot de soldaten: Indien dezen niet in het schip blijven, kunt gij niet gered worden.
32Toen sneden de soldaten de touwen van de sloep door en lieten die wegdrijven.
33En toen het dag begon te worden, drong Paulus er bij hen allen op aan voedsel te nemen, en zei: Dit is de veertiende dag dat gij in spanning verkeert en gevast hebt, zonder iets te eten.