Job 29:10
“De edelen zwegen stil, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.”
Kruisverwijzingen
Context
Job 29 — omringende verzen
Toen de Almachtige nog met mij was, toen mijn kinderen om mij heen waren;
6Toen ik mijn voetstappen waste in boter, en de rots voor mij stromen van olie uitstortte;
7Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn zetel bereidde op het plein!
8De jonge mannen zagen mij, en verborgen zich; en de ouderen stonden op en bleven staan.
9De vorsten hielden op met spreken, en legden hun hand op hun mond.
De edelen zwegen stil, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
Wanneer het oor mij hoorde, dan prees het mij gelukkig; en wanneer het oog mij zag, getuigde het voor mij:
12Want ik redde de arme die riep, en de wees, en hem die geen helper had.
13De zegen van hem die dreigde te vergaan, kwam over mij; en ik deed het hart van de weduwe jubelen.
14Ik deed gerechtigheid aan, en zij kleedde mij; mijn recht was als een mantel en een diadeem.
15Ik was ogen voor de blinden, en voeten was ik voor de lammen.