Job 30:8
“Zij waren kinderen van dwazen, ja, kinderen van lieden zonder naam; zij waren verachtelijker dan de aarde.”
Kruisverwijzingen
Context
Job 30 — omringende verzen
Door gebrek en honger waren zij eenzaam; vluchtend naar de woestijn, voorheen verlaten en woest.
4Die malven bij de struiken afsneden, en jeneverbesworrels tot hun spijze namen.
5Zij werden verjaagd van onder de mensen, men riep ze na als een dief;
6Om te wonen in de kloven der dalen, in de grotten der aarde, en in de rotsen.
7Tussen de struiken weeklaagden zij; onder de distels waren zij bijeengekomen.
Zij waren kinderen van dwazen, ja, kinderen van lieden zonder naam; zij waren verachtelijker dan de aarde.
En nu ben ik hun spotlied, ja, ik ben hun spreekwoord geworden.
10Zij verfoeien mij, zij vluchten ver van mij, en ontzien zich niet om mij in het aangezicht te spuwen.
11Omdat Hij mijn koord heeft losgemaakt en mij heeft verdrukt, hebben zij ook de teugel voor mij losgelaten.
12Aan mijn rechterhand staan de jongelingen op; zij stoten mijn voeten weg, en zij richten tegen mij de wegen van hun verderf op.
13Zij vernielen mijn pad, zij bevorderen mijn ondergang; zij hebben geen helper nodig.