Job 3:17
“Aldaar houden de goddelozen op met woelen; en aldaar rusten de vermoeide.”
Kruisverwijzingen
Context
Job 3 — omringende verzen
Waarom ontvingen knieën mij, of waarom waren er borsten dat ik zoog?
13Want anders had ik nu neergelegen en gerust, ik zou geslapen hebben; toen zou ik in rust geweest zijn,
14Met koningen en raadgevers der aarde, die woeste plaatsen voor zichzelf bouwden;
15Of met vorsten die goud hadden, die hun huizen met zilver vulden.
16Of als een verborgen ontijdige vrucht had ik niet geweest; als kinderkens die het licht nooit gezien hebben.
Aldaar houden de goddelozen op met woelen; en aldaar rusten de vermoeide.
Aldaar rusten de gevangenen tezamen; zij horen de stem van de onderdrukker niet.
19De kleine en de grote zijn aldaar; en de knecht is vrij van zijn heer.
20Waarom wordt het licht gegeven aan hem die in ellende is, en het leven aan de bittergeestigen;
21Die naar de dood verlangen, maar hij komt niet; en er naar graven meer dan naar verborgen schatten;
22Die zich ten zeerste verheugen en blijde zijn wanneer zij het graf kunnen vinden?