Job 29:20
“Mijn eer was fris in mij, en mijn boog werd vernieuwd in mijn hand.”
Kruisverwijzingen
Context
Job 29 — omringende verzen
Ik was ogen voor de blinden, en voeten was ik voor de lammen.
16Ik was een vader voor de armen; en de zaak die ik niet kende, onderzocht ik nauwkeurig.
17En ik verbrijzelde de kaken van de goddeloze, en rukte de buit uit zijn tanden.
18Toen zeide ik: Ik zal sterven in mijn nest, en mijn dagen vermeerderen als het zand.
19Mijn wortel was uitgespreid bij de wateren, en de dauw lag de hele nacht op mijn tak.
Mijn eer was fris in mij, en mijn boog werd vernieuwd in mijn hand.
Naar mij luisterden de mensen, en wachtten, en bewaarden stilte bij mijn raad.
22Na mijn woorden spraken zij niet meer; en mijn rede druppelde op hen neer.
23En zij wachtten op mij als op de regen; en zij openden hun mond wijd als voor de late regen.
24Als ik hen toelachte, geloofden zij het nauwelijks; en het licht van mijn aangezicht wierpen zij niet neer.
25Ik koos hun weg, en zat als hoofd, en woonde als een koning in het leger, als één die de treurenden troost.